020 – 6140305      Personeel      Contact  

   

De klassenmentor

Je krijgt aan het begin van het schooljaar een mentor toegewezen. In de onderbouw gebeurt dit in klassenverband. In de bovenbouw worden mentorgroepen samengesteld van circa zesentwintig leerlingen.

De mentor helpt iedere leerling met het verwerven van vaardigheden, zoals bijvoorbeeld plannen. Daarnaast is de mentor het eerste aanspeekpunt voor jou en je ouder(s)/verzorger(s) en verzorgt hij/zij (deels) de communicatie vanuit de jaarlaag/afdeling. Mentoren helpen ook bij problemen, profielkeuze en studie- en beroepskeuze

Tutoren

In de brugklas hebben de leerlingen naast een mentor ook 2 tutoren. Dit zijn leerlingen uit de bovenbouw die de brugklasleerlingen op weg helpen en tevens aanspreekpunt zijn.

Onderwijs op maat

Er zijn grote verschillen tussen leerlingen. In ons onderwijs houden we daar rekening mee. Leerlingen die extra uitdaging aan kunnen, dagen we uit met ons econasium en verschillende projecten. In die projecten leren ze vaardigheden die goed van pas komen bij de vervolgstudie op de hogeschool of universiteit.

In de maatwerkuren in de onderbouw, bieden we leerlingen extra uitdaging of extra ondersteuning voor vakken waar ze moeite mee hebben. In huiswerklessen leren de leerlingen in de onderbouw om huiswerk te maken. Op dinsdagmiddag zijn er voor de onderbouwleerlingen maatwerkuren voor onder andere de vakken Nederlands, Engels en wiskunde. We besteden in de brugklas extra aandacht aan Nederlands en Engels om mogelijke achterstanden bij deze talen weg te werken.

In de examenklassen hebben leerlingen verschillende mogelijkheden om zich goed voor te bereiden op de examens, zoals maatwerkuren en de examentrainingen vóór en tijdens de meivakantie.

Faalangst training

In de tweede klas worden alle leerlingen getest op faalangst. Leerlingen die daar last van hebben, kunnen een intensieve training krijgen in een kleine groep. Deze training is kosteloos. De ouders van de leerlingen krijgen op de algemene ouderavond meer informatie over deze training.

Remedial teacher

Onze remedial teacher is een specialist in leervaardigheden. Zij begeleidt leerlingen bij het verkleinen van leerachterstanden en het zich eigen maken van leervaardigheden. De remedial teacher adviseert de school bij de begeleiding van leerproblemen. Alle leerlingen worden getest op hun taalvaardigheid en mogelijke (aanleg voor) dyslexie.

Zorg op het CLA

Naast de mentor heeft de school nog andere medewerkers die bij de begeleiding van de leerlingen ingeschakeld kunnen worden.

Zorgcoördinator

Bij leerlingen die extra zorg nodig hebben, coördineert de zorgcoördinator de afspraken die nodig zijn om hen te ondersteunen bij het onderwijs. Dit doet hij of zij samen met ouders, de leerling en zijn mentor. De zorgcoördinator volgt de voortgang van leerlingen op het gebied van extra zorg en verwijst leerlingen binnen of buiten school naar hulpverleners. Ook onderhoudt hij of zij contacten met externe zorgverleners, verwijst leerlingen zo nodig door naar de schoolarts en heeft contact met de leerplichtambtenaar.

Ouder- en kindadviseur

Op alle Amsterdamse scholen werken vaste ouder- en kindadviseurs, jeugdartsen en jeugdpsychologen vanuit het Ouder- en Kindteam (OKT). Mevrouw N. Heupers is het aanspreekpunt op onze school. Zij is bereikbaar via 06-29053972 of n.heupers@oktamsterdam.nl. Leerlingen en hun ouder(s) kunnen samen of afzonderlijk bij haar terecht met kleine en grote vragen of zorgen. Bijvoorbeeld over het omgaan met leeftijdsgenoten, ruzie thuis of het gebruik van drank of drugs. Maar ook voor het vinden van een leuke activiteit na school. Een ouder- en kindadviseur kijkt samen met de leerling en/of ouder(s) wat er nodig is. In de ene situatie is een gesprek voldoende, in de andere is het nodig om samen een plan te maken. Mevrouw Heupers kan de leerling en/of ouder(s) helpen met tips, gesprekken of een training. Als het nodig is, kan zij ook anderen in het gezin ondersteuning bieden.

Passend onderwijs

Onze docenten worden getraind in het omgaan met verschillen tussen leerlingen. Medewerkers die betrokken zijn bij de zorg, werken aan het bieden van optimale ondersteuning. Samen met onze partners bieden we ondersteuning bij leerproblemen, ontwikkelproblemen, werkhoudingsproblemen, de sociaal-emotionele ontwikkeling en bij fysieke beperking. Voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, stellen we een ontwikkelingsperspectief op met het perspectief voor de leerling aan het einde van de schoolperiode. De school overlegt hierover met de ouders. De Begeleider Passend Onderwijs ondersteunt de docenten en de leerlingen op het gebied van gedrag- en leermoeilijkheden en/of -stoornissen. De begeleider observeert leerlingen in de les en begeleidt leerlingen individueel op dit gebied.

Vertrouwenspersoon

Leerlingen kunnen voor vertrouwelijke problemen terecht bij mevrouw Waltjé en meneer Meziyane. Zij bieden als vertrouwenspersoon een luisterend oor en geven advies hoe de leerling zijn probleem kan oplossen. De vertrouwenspersonen gaan vertrouwelijk om met de informatie die ze te horen krijgen. Ze kunnen leerlingen doorverwijzen naar een externe vertrouwenspersoon van Stichting ZAAM, naar een hulpinstantie of naar de klachtencommissie.

Zorg advies team

De school heeft een Zorg Advies Team (ZAT), waarin we eens per zes weken leerlingen bespreken die extra ondersteuning nodig hebben. Soms is er sprake van complexe problematiek. In het ZAT zitten behalve de zorgcoördinator (voorzitter van het overleg) de jeugdarts, de leerplichtambtenaar en afdelingsleiders.

Schoolarts en verpleegkundige

Aan de school zijn een schoolarts en een schoolverpleegkundige van de GGD verbonden. Zij houden regelmatig spreekuur op school. Bij de overgang van de basisschool gaat een overdrachtsdossier van de leerling mee naar onze school. Naar aanleiding van dit dossier krijgen sommige kinderen een uitnodiging voor het spreekuur. Verzuim kan ook een aanleiding zijn voor een uitnodiging op het spreekuur. In de tweede en vierde klas vullen alle leerlingen een vragenlijst over gezondheid in. Die geeft inzicht in de gezondheid en de leefstijl van leerlingen. De ingevulde vragenlijst kan aanleiding zijn om een leerling uit te nodigen voor een gesprek.

De schoolarts neemt deel aan het zorgoverleg van de school. Daar worden leerlingen besproken die extra zorg of aandacht nodig hebben. Bij het verstrekken van gegevens wordt uiteraard rekening gehouden met de privacy van de leerling en het gezin. Met vragen over de gezondheid of ontwikkeling, kunnen ouders of leerlingen ook zelf contact opnemen met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige mevrouw N. Ris, 06-21986919 of nris@ggd.nl.

Schoolondersteuningsprofiel

Iedere school heeft een ondersteuningsprofiel, een boekwerk met daarin de leerlingondersteuning en kenmerken van de school hierin uitvoerig beschreven wordt. Deze kunt u downloaden door op deze url te klikken: Ondersteuningsprofiel CLA

Loopbaanoriëntatie en Begeleiding (LOB)

K. Waltjé, decaan

Het doel van LOB is om de leerlingen te begeleiden bij het maken van bewuste(re) keuzes. Op onze school houdt dit concreet in dat de leerlingen begeleid worden bij het kiezen van een passend profiel en een juiste vervolgopleiding. Bij deze keuzes is het van belang dat de leerling leert om zijn/haar ervaringen (binnen en buiten de school), interesses en kwaliteiten hierbij te betrekken. Want een leerling die kiest voor de juiste opleiding, legt de basis voor een succesvolle loopbaan.

Op het Comenius Lyceum is één decaan, mevr. K. Waltjé, werkzaam  . Zij begeleidt je samen met de mentoren en docenten bij het maken van passende keuzes op het gebied van profielen en vervolgopleidingen. Verder kan ze je adviseren over oa de verschillen tussen HBO en WO, tegemoetkoming van studiekosten en actualiteiten en veranderingen op het gebied van LOB.

Profielkeuze

Werkwijze Profielkeuze 2018-2019

Leerjaar drie staat in het teken van de voorbereiding op de bovenbouw. De profielkeuze staat hierin centraal. Hoe we dit jaar te werk gaan, wie wat doet, welke criteria worden gehanteerd en wanneer de definitieve keuze gemaakt moet zijn, staat in deze werkwijze beschreven.

WERKWIJZE PROFIELKEUZETRAJECT

– de decaan komt bij de start van QOMPAS in de mentorles om zich voor te stellen en een toelichting te geven.

– gedurende de looptijd van QOMPAS houdt de decaan hierover contact met de mentor.

– de mentor controleert de voortgang bij QOMPAS.

– de decaan is verantwoordelijk voor het profielkeuzeproces. Het zwaartepunt van de begeleidingsgesprekken ligt bij de mentor van de 3de klas, hierbij geeft de decaan ondersteuning aan de mentor.

– de decaan wordt ingeschakeld bij de ‘moeilijke’ gevallen, dan verwijst de mentor de leerling door naar de decaan.

– de decaan is verantwoordelijk voor het opstellen en updaten van het profielkeuzeboekje.

– de decaan organiseert de voorlichtingsavond aan begin van de derde periode in overleg met de schoolleiding.

– de decaan organiseert voorlichtingen die door verschillende beroepsbeoefenaren worden gegeven.

– de decaan zorgt ervoor dat de leerlingen genoeg informatie over de keuzevakken krijgen.

HIER staat de powerpoint die getoond is tijdens de voorlichtingsavond 3e klas

QOMPAS

De mentoren van de 3de klas starten met de uitvoering van QOMPAS vanaf oktober. De decaan komt regelmatig in de mentorles langs om zich op de hoogte te stellen van de voortgang. Indien nodig krijgen leerlingen QOMPAS ook als huiswerk mee. Uiterlijk 30 maart 2018 moet QOMPAS zijn afgerond en moet het profielkeuzedossier worden ingeleverd bij de decaan. Het profielkeuzedossier van de leerling bevat ten minste de volgende zaken: het einddossier van QOMPAS, de Profielwijzer van LC-data, verslagen van de verschillende voorlichtingsbijeenkomsten, het formulier adviezen en voorlopige keuze en het definitieve keuzeformulier.

PROFIELKEUZEPROCES

– de vakdocenten geven een voorlopig advies op het +/- formulier. Dit advies kan mede gebaseerd zijn op de gegevens van de overgang van klas 2 naar 3.

– de mentor, de decaan en de afdelingsleider formuleren het schooladvies.

– de mentor bespreekt dit voorlopig advies met de leerling. Deze 1ste adviesgesprekken worden voorbereid in overleg met de decaan.

– de leerlingen nemen deel aan voorlichtingsbijeenkomsten over beroepen en keuzevakken.

– aan het einde van semester 1 geeft de leerling zijn/haar voorlopige profielkeuze op. Voorafgaand hieraan heeft de mentor een 2e adviesgesprek. De mentor beschikt hierbij over de informatie uit de rapportvergaderingen.

– op de klassenteamvergadering voor rapport 3 wordt de voorlopige keuze besproken.

– in april wordt het definitieve keuzeformulier uitgereikt. De mentor heeft een 3e adviesgesprek en de definitieve keuze wordt ingevuld.

– na de overgangsvergadering is de profielkeuze definitief.

TOELATINGSNORMEN N-PROFIEL

Om in de bovenbouw HAVO en VWO een N-profiel (Natuur en Gezondheid of Natuur en Techniek) te kunnen kiezen, zijn de volgende cijfers op het overgangsrapport van klas 3 naar 4 vereist: Een leerling die kiest voor het profiel N&G heeft op het eindrapport van de 3e klas voor Biologie, Scheikunde en Wiskunde ten minste een 7. Wordt als profielkeuzevak Natuurkunde gekozen? Dan is Wiskunde B verplicht en het eindcijfer op het eindrapport van de 3e klas voor Natuurkunde ten minste een 7. Een leerling die kiest voor het profiel N&T heeft op het eindrapport van de 3e klas voor Natuurkunde, Scheikunde en Wiskunde ten minste een 7. Wordt als keuzevak Biologie gekozen? Dan is het eindcijfer op het eindrapport van de 3e klas voor Biologie ten minste een 7.

Een leerling die aan één van deze voorwaarden niet voldoet, wordt in de overgangsvergadering besproken. Daarbij wordt altijd het advies van de betrokken vakdocent gehoord. De overgangsvergadering neemt vervolgens een beslissing.

KEUZEVAKKEN

Elke leraar die in de derde klas een vak geeft dat in de bovenbouw als keuzevak wordt aangeboden, geeft in zijn/haar derde klas hier voorlichting over. Indien nodig wordt binnen de sectie de inhoud van deze voorlichting besproken (PowerPoint, extra materiaal etc.).

De voorlichting over de keuzevakken informatica en maatschappijwetenschappen, die niet in de onderbouw worden gegeven, wordt tijdens de mentorlessen door de vakdocenten verschaft op verzoek van de decaan.

In de voorlichting aan de leerlingen moet nadrukkelijk worden meegenomen dat het aanbod van keuzevakken per profiel beperkt is en afhankelijk van het aantal deelnemers aan een vak. Bij het aangeven van hun keuzevak moeten de leerlingen een eerste en tweede voorkeur vermelden.

WIJZIGING PROFIELKEUZE OF KEUZEVAK

In het nieuwe schooljaar is verandering in profielkeuze of keuzevak niet mogelijk.

Loopbaan oriëntatie en begeleiding (LOB) in de bovenbouw

Hoe meer opleidingsmogelijkheden je onderzoekt, des te beter. In de bovenbouw ontplooit iedere leerling activiteiten in het kader van LOB (loopbaanoriëntatie en begeleiding). Zoals een stage, sollicitatietraining, bezoek aan Hogeschool INHOLLAND, bezoeken van open dagen, deelnemen aan masterclasses en meer. De bevindingen komen terecht in je toekomstdossier.

Contacten met het vervolgonderwijs zorgt voor een goede informatie over vervolgonderwijs. Leerlingen nemen deel aan het aansluitproject van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam.

Bij de decaan kun je terecht als je:

• wilt weten wanneer er open dagen zijn

• je wilt voorbereiden op een toelatingsgesprek voor een opleiding

• een motivatiebrief voor een opleiding wilt laten corrigeren

• met een onafhankelijke persoon wilt praten

Loop even bij de decaan mevr. Waltjé naar binnen of maak een afspraak!

HIER staat de presentatie gehouden in de bovenbouw:

Bovenbouw

Leerlingen krijgen veel informatie middels Qompas – de digitale studiekeuzebegeleidingsmethode – via de decaan, middels websites en via tijdschriften en beroepenkranten die op school worden aangeboden.

Op een woensdagmiddag bezoeken de leerlingen van HAVO 4 en VWO 5 met een NT-profiel of met het profielvak Natuurkunde de Jet-Net Career Day op de campus van de TU Delft te Delft. Dit is een landelijke manifestatie waar zo’n 50 bedrijven vertegenwoordigd zijn ter stimulans voor de keuze van technische- en natuuropleidingen. Meer informatie vindt u op www.regionalecareerday.nl

Op een nog te plannen maandagavond vinden de studievoorlichtingsavonden plaats, georganiseerd door decanen en de organisatie 4Strax. Leerlingen hebben keuzes gemaakt welke studievoorlichtingen zij die avond(en) willen volgen. Iedere leerling moet het eigen programma voor die avond(en) zelf uitprinten en meenemen. Dit kan op het eigen account van www.4strax.nl. U bent als ouder van harte uitgenodigd deze avond samen met uw kind te bezoeken. De voorlichtingen vinden plaats bij de Hogeschool van Amsterdam, locatie Fraijlemaborg 133 te Amsterdam.

Ook is het bezoeken van Open Dagen in het voorexamenjaar erg belangrijk. Vaak nemen leerlingen in het eindexamenjaar daar geen tijd voor, omdat het vizier vooral gericht is op het behalen van het diploma. Terwijl je tijdens Open Dagen al een aardig beeld kunt krijgen van de inhoud van een opleiding en de locatie.

Examenleerlingen

Aan het begin van het schooljaar dient het programma Qompas te zijn afgerond. Met behulp van het einddossier, waarin onder andere uitslagen staan van een interessetest en een studiekeuzetest, kan de leerling zich verder oriënteren. Het bezoek aan Open Dagen is zeer aan te raden. Kijk regelmatig op de Open Dagen-kalender van www.qompas.nl! Bv 8-11 HvA, VU, Universiteit van Leiden en Hogeschool Utrecht, 29-11 UvA.

De beste manier om een reëel beeld te krijgen van de inhoud en de gang van zaken bij een studie, is een dag Meelopen of Proefstuderen. Elke Universiteit of Hogeschool biedt deze mogelijkheid op de site aan. Bij Proefstuderen krijgen leerlingen een beter beeld van een studie: ze krijgen een hoor- en werkcollege locatie en worden daarbij begeleid door huidige studenten. Bij Meelopen maak je onder begeleiding van een student een heuse studiedag mee, met bv hoor- en werkcolleges en je kunt heel directe informatie van zo’n student krijgen. Voor een Meeloop- of Proefstudeerdag kun je vrij krijgen op school, mits er op die dag geen belangrijke toetsen gepland zijn. De mailwisseling met de student met de afgesproken datum overleg je ruim van te voren met de decaan mevr. Waltjé.

Op 20 januari organiseren we een studievoorlichtingsmiddag verzorgd door oud-leerlingen. Je kunt dan nog je laatste vragen kwijt over verschillende studies, maar ook algemene vragen over studeren.

De mentor zal gesprekken voeren, en ook de decaan zal dat doen, zeker met de twijfelaars en de leerlingen die nog helemaal niet weten welke studie ze willen kiezen. Hierbij wordt ook het einddossier van Qompas geraadpleegd. Ook ouders kunnen hierin een belangrijke rol spelen! Het is vooral belangrijk dat een leerling ondersteund wordt in eigen interesses en competenties. Stimuleren in een studierichting die vooral de wens is van de ouders, loopt vaak uit op studie-uitval. Deze uitval was dit jaar in het eerste studiejaar 35%!

De leerlingen die weten welke opleiding ze willen gaan volgen, kunnen zich (nu al) inschrijven via de landelijke website www.studielink.nl. Onze school staat bij Studielink bekend als Scholengemeenschap Nieuw West

Het is verstandig om in ieder geval nu al je Digid aan te vragen. Dit digitale paspoort heb je nodig voor de inschrijving. De aanvraag van een Digid via studielink duurt een kleine week.

Let op dat je je tijdig inschrijft, zeker voor lotingstudies en decentrale selectie. Dit jaar is de uiterlijke inschrijfdatum voor alle studies 1 mei 2014! Houd je hieraan, want veel opleidingen nemen na 1 mei geen studenten meer aan!

Alle Hogescholen en Universiteiten in Amsterdam houden dit jaar een Studiekeuzecheck. De meeste vinden plaats meteen na de examens. Maar als je je eerder inschrijft voor en studie, kan de check soms ook al in februari/maart plaatsvinden. Houd deze data in de gaten voor jouw studie en plan dus niet meteen een reisje na je examens! Deze Studiekeuzechecks zijn namelijk verplicht, maar geven je daarmee wel toegang tot de studie mits je voldoet aan de toelatingseisen. Bereid de check goed voor!

Meer informatie over uiterste inschrijfdata bij lotingstudies en het aanvragen van studiefinanciering zijn te vinden op www.duo.nl.

Verder zijn deze leerlingen hoogstwaarschijnlijk de eerste generatie die te maken krijgt met het sociale leenstelsel. De basisbeurs wordt afgeschaft, het “studievoorschot” wordt ingevoerd. Dit is een lening tot max. 980 euro per maand. Afbetaling kan tot 30 jaar na het behalen van de studie. Binnen deze lening kunnen studenten met minder draagkrachtige ouders een aanvullende beurs aanvragen. Deze bedraagt max 365 euro per maand en is een gift mits het diploma binnen 10 jaar wordt behaald. Het besluit omtrent het Sociale Leenstelsel moet nog door de Eerste en tweede Kamer heen, maar naar alle waarschijnlijkheid zal dit worden goedgekeurd. Er gaat dus nogal wat veranderen. Reden te meer om je goed en welbewust op je studiekeuze voor te bereiden!

Naast deze nieuwsbrief kunt u op onze schoolsite ook informatie vinden, zoals de presentaties van de algemene ouderavonden.

Belangrijke sites

Keuzegids online (deze link werkt alleen op school)

– www.studiekeuze123.nl

– www.studielink.nl

– www.duo.nl

– www.qompas.nl

– www.hva.nl

– www.inholland.nl

– www.vu.nl

– www.uva.nl

– www.tudelft.nl

 

Huiswerkbegeleiding

In de eerste klas hebben de leerlingen per week 2 uur huiswerkbegeleiding en 2 maatwerkuren.
Elke klas werkt onder begeleiding van een docent of een leraar-in-opleiding aan het huiswerk.

Gewoonlijk is er al in de les tijd om aan het huiswerk te werken. Het afmaken en leren kan dan juist in het huiswerkuur worden gedaan. Als je iets niet snapt, dan kun je dit vragen aan de huiswerkdocent.

in de maatwerkuren bieden we leerlingen extra uitdaging of extra ondersteuning voor vakken waar ze moeite mee hebben.

Pestprotocol Comenius Lyceum Amsterdam

Versie september 2018

Inleiding

Pesten komt helaas voor op alle scholen en in alle tijden, ook op het Comenius Lyceum Amsterdam. Het verschijnsel lijkt onuitroeibaar, maar is zeker wel te bestrijden en te beperken. Op onze school maken we zeer serieus werk van het bestrijden van pestgedrag. Iedereen die op school leert of werkt heeft immers recht op een veilige leer-en werkomgeving die het mogelijk maakt om het maximale uit je zelf te halen. Hierin vinden we dan ook het belangrijkste doel van dit protocol: een veilig en vertrouwd schoolklimaat voor allen. In dit pestprotocol wordt samengevat wat al vele jaren praktijk is op het Comenius Lyceum Amsterdam op het gebied van pesten en het bestrijden daarvan. Het bevat richtlijnen en adviezen m.b.t. het signaleren van pestgevallen, afspraken over het behandelen van pestsituaties door vakdocenten, mentoren en afdelingsleiders, over het beperken van de negatieve gevolgen voor slachtoffers van pesterij, over de behandeling en bestraffing van leerlingen die zich aan pesten schuldig maken, over de noodzakelijke contacten met de ouders van pesters en gepesten. Pesterij is op school een gegeven, maar de verschijningsvormen zijn veranderlijk. Internet en smartphone bijvoorbeeld bieden de moderne pester voorheen ongekende mogelijkheden. Dit protocol bevat dus geenszins het laatste woord over pesterij zal daarom regelmatig herzien worden.

Wat is pesten?

Over wat pesten precies is, verschillen betrokkenen vaak van mening. Wat voor de een bedreigend, beangstigend of zelfs gewelddadig overkomt kan voor de ander als grapje bedoeld zijn. Wat grensoverschrijdend is kan erg persoonlijk zijn. Bovendien speelt pesterij zich vaak in het verborgene af, wordt het vaak niet of pas laat opgemerkt of durft het slachtoffer er niet mee voor de dag te komen. Het is dus lastig om greep te krijgen op pesterij.

Onder pesten verstaan wij:

 anderen vernederen, belachelijk maken, schelden, dreigen, bijnamen geven, roddelen,

 valse briefjes / sms-jes / pingen / WhatsApp-jes, misbruik van facebook, etc. Hieronder valt ook anderen lastig vallen of kwetsen wegens verschillen in geloof, geloofsuitoefening en seksuele geaardheid.

 trekken aan kleding, duwen, schoppen, slaan, knijpen, krabben, bijten, aan de haren trekken.

 achtervolgen, nalopen, opjagen, uitjouwen, klem zetten, opsluiten.

 uitsluiten, doodzwijgen, negeren bij groepsopdrachten.

 vernielen of beschadigen van eigendommen, afpakken van (school)spullen, wegnemen van boeken, etuis, fiets beschadigen, banden lek prikken, etc.

 afpersen, onder dwang opdrachten laten uitvoeren, geld of voorwerpen afnemen.

Pesten heeft naast de vaak ernstige gevolgen voor het slachtoffer ook negatieve gevolgen voor de klas, waarin het slachtoffer zit. Als in een klas gepest wordt, is dat nadelig voor de werksfeer en dikwijls ook voor de resultaten. Pesten moet dus uiterst serieus genomen worden en bestreden. Daarbij hebben allen die bij de school betrokken zijn een taak, waarvan zij zich bewust moeten zijn: docenten, onderwijsondersteunend personeel, leerlingen en ouders. Pesten onttrekt zich vaak aan de waarneming van docenten, ondersteunend personeel en ouders. Docenten en ouders zullen dus open oog moeten hebben voor de signalen die op pesterij kunnen wijzen en de verhalen en klachten van kinderen of ouders serieus moeten nemen.

Het slachtoffer

Waarom de ene leerling wel en de andere niet gepest wordt is moeilijk te zeggen en al helemaal niet te voorspellen. Het kan te maken hebben met het uiterlijk, de houding, het gedrag of de gevoelens van het kind. Leerlingen die op een of andere wijze afwijken van de groepsnorm lopen meer kans slachtoffer te worden van pesterij.Gepeste kinderen hebben vaak moeite om met hun verhaal naar buiten te komen. Ze schamen zich, zijn bang dat het gepest nog erger wordt als zij praten of denken dat er toch niet naar hen geluisterd zal worden en dat zij zelf de schuld krijgen van de beroerde situatie.

De pestkoppen

Ook de motieven en de achtergronden van kinderen die zich aan pesterij schuldig maken, kunnen zeer uiteen lopen. Ook hun gedrag is vaak in hoge mate onvoorspelbaar. Sommigen voelen zich sterk en superieur en willen zich laten gelden, anderen zijn onzeker en ooit zelf gepest en gebruiken het pesten van zwakkeren als middel om zelf buiten schot te blijven. Als pesters lijken zij sterk en stoer. Weer anderen gebruiken het als middel om populair te worden bij klasgenoten en proberen met pesterij de lachers op hun hand te krijgen. Het pesten maakt hen belangrijk in de groep.

Kinderen die zwak presteren zien in het pesten van klasgenoten soms een mogelijkheid om hun eigen minderwaardigheidsgevoelens te compenseren.

Meelopers en omstanders

Pesterij in een groep of klas is sterk afhankelijk van omstanders en meelopers. De meeste kinderen houden zich afzijdig van pesterij, maar grijpen niet in. Anderen lachen mee met de dader(s). De samenstelling van de groep is hierbij belangrijk. Als in een klas veel kinderen onzeker zijn van hun positie en zich daardoor onveilig voelen, kan dat meeloopgedrag bevorderen. Wie meelacht of weg kijkt loopt immers zelf minder kans om in een slachtofferrol terecht te komen en heeft kans om te stijgen in de hiërarchie van de groep. Kinderen kunnen bang zijn vrienden of vriendinnen te verliezen en minder populair te worden als zij zich niet conformeren. Zich afzijdig houden of meelachen kan dus lonend zijn.

De aanpak

Pesten is onacceptabel. Het Comenius Lyceum Amsterdam wil in alle opzichten een school zijn waarin iedereen die er leert en werkt, zich zelf kan zijn en zich veilig kan voelen. De school heeft in het aanpakken van pestgedrag dus een duidelijke opdracht. Alle geledingen van de school, leerlingen, personeel en ouders hebben een taak en een rol in het voorkomen ervan. Bij de aanpak en bestrijding van pesterij zullen alle geledingen dan ook betrokken moeten worden.

De vijfsporenaanpak

Het Comenius Lyceum sluit in zijn aanpak van pesterij aan bij het “Nationaal Onderwijsprotocol tegen Pesten”. Daarin is sprake van een zgn. vijfsporenaanpak. De school erkent zijn eigen verantwoordelijkheid voor het aanpakken en bestrijden van pesterij. De school voert in deze een actief beleid en stelt personeel van de school in staat om voldoende kennis en informatie te verwerven over pesten. De school ondersteunt altijd kinderen die gepest worden. Kinderen die met hun verhaal naar buiten komen worden serieus genomen en er wordt naar hen geluisterd. Met hen wordt gezocht naar oplossingen en , indien gewenst, krijgen zij begeleiding, hulp en training aangeboden via het schoolmaatschappelijk werk. De school onderzoekt altijd wat de beweegredenen zijn van de pester(s), die met de gevolgen van zijn/haar gedrag geconfronteerd wordt. Geprobeerd wordt eventuele diepere oorzaken van het pestgedrag boven water te krijgen. Waar nodig legt de school sancties op aan de pester(s) en volgt een hulp- en begeleidingsaanbod via (het schoolmaatschappelijk werk) de zorgcoordinator naar de ouderkindadviseur (OKA)

De school betrekt in de bestrijding van het pestgedrag altijd de omstanders, meelopers en de overige leerlingen van de klas. De mentor bespreekt met de klas de rol van alle leerlingen en helpt bij het zoeken van mogelijke oplossingen.

De school steunt altijd ouders van gepeste kinderen. Ouders die zich zorgen maken over hun gepeste kind, worden door de school serieus genomen. In de bestrijding van pestgedrag werkt de school samen met de ouders van de betrokken kinderen. Waar mogelijk en nodig geeft de school adviezen aan de ouders over de omgang met hun gepeste en/of pestende kind. De hierboven beschreven vijfsporenaanpak3 spelen verschillende personen een rol, maar is de mentor van de klas de centrale figuur. Naast de mentor zijn de vakdocent, het schoolmaatschappelijk werk, de vertrouwenspersonen en de afdelingsleider belangrijk.

De rol van de mentor

De mentor heeft in eerste instantie een signalerende rol. Hij/zij is immers eerstverantwoordelijke voor een veilige werksfeer in de klas, waarin alle kinderen zich prettig voelen. Zodra de mentor van een klas hoort of merkt dat een leerling van de klas gepest wordt onderzoekt hij/zij de zaak door eerst een gesprek aan te gaan met de gepeste leerling die aan dit gesprek het vertrouwen moet kunnen ontlenen dat hij/zij gesteund wordt. Daarna voert de mentor een apart gesprek met de pester. Als de mentor een goed inzicht heeft gekregen in wat er speelt in het onderhavige geval dan organiseert hij/zij een gesprek tussen het gepeste kind en de pester, waarin geprobeerd wordt om tot goede afspraken te komen om de situatie te verbeteren. De mentor confronteert in zijn gesprek met de pester hem/haar direct met de mogelijke gevolgen van het pestgedrag en wijst op de consequenties als het pestgedrag niet onmiddellijk stopt. De mentor spreekt met de klas en maakt duidelijk dat alle leerlingen een verantwoordelijkheid hebben bij het herstellen van de goede werksfeer in de klas. De mentor maakt met de klas bindende afspraken die nieuwe pesterijen moeten voorkomen. In de mentorlessen van de klas komt hij hier regelmatig op terug. De mentor onderhoudt contact met de ouders van het gepeste kind, licht hen in over zijn/haar activiteiten om het pesten te stoppen en over eventuele maatregelen die hem/haar daarvoor als mentor voor ogen staan. De ouders van het gepeste kind ontlenen aan dit contact het vertrouwen dat de pesterij effectief bestreden wordt. De mentor onderhoudt contact met de ouders van de pester(s), licht hen in over het gedrag van hun kind en bepreekt met hen de mogelijkheden die de school en de ouders hebben om het gedrag van het pestende kind te veranderen. De mentor maakt van de gesprekken die hij/zij voert een korte aantekening in het leerlingvolgsysteem Magister.

Als het pesten toch doorgaat, draagt de mentor de zaak over aan de afdelingsleider.

De rol van de vakdocent

Vakdocenten hebben een signalerende rol. Het is van groot belang dat zij alert zijn op signalen die op pesterij wijzen. Als zij die menen waar te nemen en pesterij vermoeden, dan waarschuwen zij direct de klassenmentor.

De rol van de afdelingsleider

Bij herhaald pestgedrag neemt de afdelingsleider de verantwoordelijkheid over handelt daarbij in overleg met de mentor. De afdelingsleider neemt de regie ook over als de pesterij het klassenverband overstijgt. De afdelingsleider heeft altijd een gesprek met het gepeste kind en met de pester apart en/of organiseert een gesprek tussen beide partijen. In het gesprek met het slachtoffer van de pesterij probeert de afdelingsleider te achterhalen of het kind gedrag vertoont dat hem/haar tot een gemakkelijk doelwit maakt van pesterij. De afdelingsleider adviseert in dat geval het slachtoffer en diens ouders en biedt hulp aan op vrijwillige basis van het schoolmaatschappelijk werk. In het gesprek met de pester confronteert de afdelingsleider het kind met het ongewenste en verwerpelijke van diens gedrag en probeert hij eventuele dieper liggende oorzaken ervan te achterhalen. Ook maakt hij aan de pester duidelijk welke consequenties voortzetting van het pestgedrag kan hebben voor de onderwijscarrière aan het Comenius Lyceum. De afdelingsleider roept de ouders van de herhaaldelijk pestende leerling op voor een gesprek op school. In dat gesprek stelt hij hen op de hoogte van het pestgedrag van hun kind, verzoekt hen hun kind in gesprekken tot verandering van zijn/haar gedrag te bewegen en brengt hen op de hoogte van het vervolgtraject als het pesten onverhoopt niet zou stoppen. Hij brengt de pestende leerling en diens ouders op de hoogte van de maatregelen en de sancties die de school daarbij ten dienste staan. Tenslotte biedt de afdelingsleider de ouders van het pestende kind hulp aan en eventuele doorverwijzing via het schoolmaatschappelijk werk.

De afdelingsleider houdt van zijn gesprekken aantekening in het leerlingvolgsysteem Magister.

De rol van het (schoolmaatschappelijk werk) OKA

De OKA (schoolmaatschappelijke werkers) (adviseren) adviseert en ondersteunt waar mogelijk de mentoren en de afdelingsleider in alle fasen van een casus. De OKA (De schoolmaatschappelijke werkers) bieden biedt op vrijwillige ( en onvrijwillige) basis individuele begeleiding en evt. training aan aan slachtoffers en pesters apart. (assertiviteitstraining, faalangsttraining, etc.). (Het schoolmaatschappelijk werk) OKA doet desgewenst verwijzingen naar externe hulpverlening.

De rol van de vertrouwenspersonen

De twee vertrouwenspersonen van de school hebben een signalerende rol. Zij nemen in het geval van pesten contact op met de mentor en/of de afdelingsleider om het pestprobleem zichtbaar te maken en volgens dit protocol te kunnen handelen.

Preventieve acties en maatregelen

Pesterij komt het meest voor in klassen met een onveilig klimaat, waarin kinderen onzeker zijn van hun rol en positie in de groep. De mentorlessen zijn bij uitstek geschikt om problemen m.b.t. de sfeer in de groep aan de orde te stellen. Elke mentor bespreekt daarom aan het begin van het schooljaar het belang van veiligheid en een goede sfeer en maakt met de klas daarover afspraken met als kern: plagen en pesten doen wij niet. De mentor kan als besluit van deze lessen samen met de klas een anti-pestcontract opstellen en door de leerlingen laten ondertekenen. De mentor wijst er regelmatig op dat pesten altijd gemeld moet worden en dat het melden van pesterij niets te maken heeft met klikken of met verraad. Wie pesten meldt, draagt bij aan de bestrijding ervan. In klas 1 en 2 worden in de eerste periode van het schooljaar anti-pestworkshops georganiseerd, waarin m.b.v. professionele acteurs de kinderen ervan doordrongen worden hoe schadelijk en verwerpelijk pesterij feitelijk is. Deze workshops worden in de mentorlessen voorbereid en nabesproken. In klas 1 en 2 wordt voor training van sociaal-emotionele vaardigheden gebruik gemaakt van de methode Tumult. De in deze methode aan pesterij gewijde eenheden gebruikt de mentor door het gehele jaar heen om het bewustzijn van pesterij en de schadelijkheid ervan levend te houden bij de kinderen.

De school organiseert in de onderbouw projecten van beperkte duur op het gebied van pesten, seksuele opvoeding, diversiteit en verdraagzaamheid.

Sancties

Sinds schooljaar 2017 – 2018 heeft het Comenius Lyceum een Jongerenrechtbank. Dit is een rechtbank voor jongeren die door jongeren gerund wordt. De leerlingen hebben allemaal een meerdaagse training gevolgd en kennis gemaakt met de verschillende rollen binnen de rechtbank. Het Comenius Lyceum gelooft erin dat het herstellen van onderlinge relaties meer kunnen opleveren als leerling elkaar kunnen wijzen op hun misstap. Alle betrokken partijen kunnen hun verhaal doen en uiteindelijk beslist de rechter (leerling) wat de sanctie wordt. Het hoogste doel van de sanctie heeft te maken met het herstellen van de onderlinge relatie en het vertrouwen.

Een pester die in herhaling vervalt kan verplicht worden om een pestproject of een op gedragsverandering gerichte training te volgen in eigen tijd. Dergelijke programma’s worden aangeboden (door of) via het schoolmaatschappelijk werk. Ouders van pestende kinderen worden hiervan altijd op de hoogte gesteld. Deze hulp is nadrukkelijk niet op vrijwillige basis. Weigering van deelname kan gevolgen hebben voor de onderwijscarrière van betrokkene aan het Comenius Lyceum Amsterdam.

Een leerling die in herhaling valt van pestgedrag kan verplicht worden een “gedragscontract” te ondertekenen met daarin expliciete bepalingen over hoe om te gaan met klasgenoten of medeleerlingen.

Als pestprojecten, gedragscontracten en gedragstraining geen of onvoldoende resultaat opleveren en de leerling dus pestgedrag blijft vertonen, volgt eerst een externe schorsing van één dag. Mocht ook dat onvoldoende effect hebben, is ook schorsing voor langere tijd (maximaal 5 schooldagen) mogelijk. Daarnaast kan in bijzondere gevallen een leerling voor een periode van 3 maanden geplaatst worden in de (S)TOP-klas.

Als de leerling ondanks alle inspanningen om hem/haar te bewegen om te stoppen met pesten, toch door blijft gaan en er dus geen perspectief meer is op verbetering zal de leerling voorgedragen worden voor verwijdering van school.

Frans Guit, ondersteuningscoördinator/ zorgcoördinator.

Actie-protocol rondom signalering van kindermishandeling en huiselijk geweld

Wat is kindermishandeling?

Vanaf 2012 is de school verplicht om een meld-code kindermishandeling en huiselijk geweld te hanteren.

Onder kindermishandeling (zoals geformuleerd in de Wet op de Jeugdhulpverlening) wordt verstaan ‘elke vorm van voor de minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een afhankelijkheidsrelatie staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek letsel of psychische stoornissen’.

Voorbeelden hiervan zijn:

Lichamelijke verwaarlozing: het kind krijgt onvoldoende voeding, kleding of verzorging.

Emotionele verwaarlozing: het kind krijgt onvoldoende liefde, aandacht of respect.

Emotionele mishandeling: het kind wordt getreiterd, gekleineerd of uitgescholden.

Lichamelijke mishandeling: het kind wordt geslagen, geschopt of geknepen.

Seksueel misbruik : seksuele handelingen bij of met het kind, die niet passen bij leeftijd en ontwikkeling.

Aanwijzingen/ signalen:

In het werken met kinderen krijg je vroeg of laat te maken met een kind waarbij je mishandeling vermoedt. Voor kinderen die mishandeld worden is het van groot belang dat mensen in hun directe omgeving dat opmerken… en er iets mee doen. Wij kunnen onze verantwoordelijkheid tegenover het kind en het gezin waarmaken door aanwijzingen en signalen serieus te nemen .

Wat te doen in geval van aanwijzingen / signalen van kindermishandeling en/of huiselijk geweld op Comenius Lyceum Amsterdam?

Stap 1 : bij de eerste aanwijzingen gelijk deze signaleren en noteren (ga dus niet aan de signalen voorbij, maar beschouw ze en leg zaken vast);

Stap 2 : bespreek de vermoedens met de mentor / afdelingsleider. De afdelingsleider neemt contact op met de zorgcoördinator en/ of de ‘aandachtsfunctionaris’/ functionaris ‘kindermishandeling’ en bespreekt de aanwijzingen. De afdelingsleider neemt daarnaast contact op met de schoolmaatschappelijk werker;

Stap 3 : de schoolmaatschappelijk werker maakt een inschatting van het probleem en probeert de aanwijzingen te bespreken met de leerling en/of de ouders/verzorgers. In geval van twijfel vraagt de schoolmaatschappelijk werker eerst collegiaal consult bij het Bureau Jeugdzorg of bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) om een goede inschatting te maken van het probleem. Van daaruit wordt voor een bepaalde werkwijze gekozen;

Stap 4 : de schoolmaatschappelijk werker bespreekt de problematiek met de ZAT-partners;

Stap 5 : na overleg wordt het advies vanuit het ZAT teruggekoppeld naar de betreffende leerling/ouders/verzorgers. Het advies vanuit het ZAT wordt door de schoolmaatschappelijk werker uitgevoerd;

Stap 6 : de schoolmaatschappelijk werker volgt de hulpverlening.

Het advies vanuit het ZAT

Het ZAT kan op 2 manieren adviseren:

a) De school kan zelf verantwoordelijk blijven en hulp organiseren. Hierbij kan het AMK gevraagd worden om advies/consult. Dit kan op basis van anonimiteit.

b) Wanneer er meer nodig is kan het AMK gevraagd worden in actie te komen en de verantwoordelijkheid over te nemen. In dit geval zijn de namen van het kind, het gezin en de melder nodig. We spreken nu van een Melding.

Het AMK zal nu:

 aanvullende informatie inwinnen bij huisarts, consultatiebureau, school;

 in gesprek gaan met de ouders en soms ook met het kind;

 proberen de ouders te motiveren voor hulpverlening;

 de hulpverlening voor kind en ouders op gang brengen (zo nodig door inschakeling Raad van de Kinderbescherming);

 overleggen welke rol de school kan blijven spelen;

 na enige tijd laten weten wat er met de melding is gebeurd.

Veel extra informatie over dit onderwerp is te vinden op de website van het AMK: http://www.amk- nederland.nl/

Samenwerkingsverband

Onze school valt onder het Samenwerkingsverband VO Amsterdam-Diemen. Wat zij doen en wat zij mogelijk voor u kunnen betekenen leest u op hun website.